Jan Buelens - De Juristenkrant - 12/03/2008
De bedrijfsorganisatiewet blaast zestig kaarsjes uit. Tijd voor een evaluatie. Volgens Jan Buelens hinkt België achterop wat de reikwijdte van de ondernemingsraad en de bescherming van zijn leden betreft. Voor veel rechtspractici is de bedrijfsorganisatiewet een eerder onbekende rechtsbron. De wet van 20 september 1948 over de organisatie van het bedrijfsleven betekende nochtans een mijlpaal in het Belgische arbeidsrecht, en in de sociale geschiedenis meer in het algemeen. De wet is een uitvloeisel van het sociaal pact van 1944 en vormde de juridische basis voor de oprichting van de ondernemingsraden. Zestig jaar later kan men zich afvragen of de wet niet aan verandering toe is. Sommige kwesties, zoals de wijze van samenstelling en de werking van de ondernemingsraden, lijken de tand des tijds te hebben doorstaan. Puur opportunistisch zou men kunnen stellen dat die aspecten zich ook niet lenen tot een boeiend forumstuk. Wat er ook van zij, bij twee knelpunten kunnen wel vragen gesteld worden naar hun houdbaarheid anno 2008. Dat zijn de oprichting en bevoegdheden van de ondernemingsraden en de bescherming van hun leden. Beide knelpunten kunnen gebald samengevat worden in volgende vraag: reikt de ondernemingsraad, en de bescherming van zijn leden, wel ver genoeg? Hokjesdenken Een eerste knelpunt is de oprichting en bevoegdheden van de ondernemingsraden, uit de artikelen 14 en 15 van de wet. Daarbij moet onmiddellijk de vermeende onbekendheid van de wet genuanceerd worden. Met de sociale verkiezingen in aantocht staat artikel 14 van de bedrijfsorganisatiewet centraal in het werk van in arbeidsrecht gespecialiseerde advocatenkantoren. Volgens dit artikel moet een ondernemingsraad opgericht worden als de technische bedrijfseenheid meer dan honderd werknemers omvat. Voor een aantal bedrijven ging dat duidelijk te ver en sinds jaar en dag proberen zij, daarin bijgestaan door een batterij advocaten, ervoor te zorgen dat die verplichting voor hen niet geldt. Op het moment dat zij dat als zodanig kenbaar (moeten) maken, is het aan de vakorganisatie om die constructie feitelijk en juridisch proberen te doorprikken. Gelet op de uiterst korte termijnen, is dat geen sinecure. Een zekere wapenongelijkheid openbaart zich. Meer fundamenteel rijst de vraag of het concept van de technische bedrijfseenheid wel ver genoeg reikt. Hier manifesteert zich een aperte tegenstrijdigheid. Enerzijds is het best mogelijk dat aparte ondernemingsraden moeten worden opgericht als een onderneming vestigingen heeft op verschillende plaatsen (voor zover die voldoende autonomie hebben), anderzijds ressorteren die diverse vestigingen wel onder één en dezelfde Europese ondernemingsraad. Het bevreemdende resultaat is dus dat de vestigingen Europees wel onder één dak vertoeven, maar nationaal niet. In het kader van de voortschrijdende internationalisering en globalisering en het uitdijen van de supply chain, komt het hokjesdenken van de bedrijfsorganisatiewet als achterhaald over. Deze beperkte visie zet zich ook door op het vlak van de bevoegdheden van de ondernemingsraden. De bevoegdheden van de ondernemingsraad zijn materieel en territoriaal beperkt tot één werkgever, zodat allerlei volstrekt afhankelijke ondernemingen volledig buiten het bereik vallen. Met arbeids(gerelateerde)-kwesties bij onderaannemers bijvoorbeeld heeft de ondernemingsraad van de opdrachtgever of hoofdaannemer ‘geen zaken’. Beschermingsgraad Oorspronkelijk voorzag de bedrijfsorganisatiewet al in een bescherming voor de leden die deel uitmaken van de ondernemingsraden. De personeelsafgevaardigden konden slechts ontslagen worden om een dringende reden, omdat men er vanuit ging dat de werkgever hen anders al te makkelijk aan de deur zou zetten omwille van hun syndicale opinies en activiteiten. Die wetgeving werd herhaaldelijk gewijzigd, niet in het minst omwille van de talrijke gebreken en leemtes in de wet. Nadat vele kandidaten bij de sociale verkiezingen ontslagen werden zonder dat zij recht hadden op een vergoeding, werd de bescherming tot hen uitgebreid. Vanaf 1978 werd de a posteriori controle van de dringende reden door de arbeidsrechtbank vervangen door een preventieve toetsing. De laatste aanpassing gebeurde met de wet van 19 maart 1991. Toen werd de beschermingsregeling ook overgeheveld naar deze specifieke wet, die de titel wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden meekreeg. In de bedrijfsorganisatiewet bevindt zich nog een restant van de beschermingsregeling, namelijk de strafrechtelijke beteugeling: de werkgever die de uitoefening van het mandaat van de personeelsafgevaardigden belemmert, wordt gestraft met een geldboete. Zoals al meermaals betoogd werd, weerhoudt de strafrechtelijke beteugeling sommige werkgevers er niet van om (kandidaat-)personeelsafgevaardigden te ontslaan zonder de wettelijke procedures te respecteren. De onregelmatigheid van het ontslag resulteert slechts in een schadevergoeding. Met de nieuwe sociale verkiezingen in aantocht was die schadevergoeding eind 2007 op haar laagste niveau, zodat er zich weer een resem ontslagen hebben voorgedaan. Dergelijke afkoopbaarheid van het ontslag staat op gespannen voet met de erkenning van de syndicale vrijheid, die de grondslag vormde voor de bedrijfsorganisatiewet. Grasduinen in parlementaire voorbereidingen levert bijwijlen verrassende resultaten op. Zo stelde de regering in 1950 voor om de re-integratie van personeelsafgevaardigden bij een onregelmatig ontslag als principe op te nemen. Dat voorstel botste toen op een patronaal veto. Zestig jaar na de bedrijfsorganisatiewet moet men zich beraden over de vraag of dat veto de syndicale vrijheid niet al te sterk inperkt. De Internationale Arbeidsorganisatie dringt er bij de staten immers op aan om de re-integratie in de onderneming, zeker in het geval van syndicale discriminatie, in hun beschermingssysteem op te nemen. Op de twee besproken knelpunten loopt België achter op de buurlanden. Onze buren kennen wel een centrale ondernemingsraad en de mogelijkheid tot re-integratie. Men kan slechts hopen dat deze vaststelling de komende jaren uitnodigt tot reflectie en actie, zodat de volgende verjaardag van de bedrijfsorganisatiewet met meer brio kan worden gevierd. Dit artikel werd gepubliceerd in de Juristenkrant nr 165, op 12 maart 2008. |